De Eerste Kamer heeft dinsdag 16 juni een initiatiefwet aangenomen die conversiehandelingen, ook wel homogenezing genoemd, strafbaar stelt. Het voorstel van de Tweede Kamer gaat om het stelselmatig en indringend willen veranderen of onderdrukken van de seksuele gerichtheid of genderidentiteit tot de heersende norm. 57 leden stemden voor het wetsvoorstel. 15 leden stemden tegen tijdens een hoofdelijke stemming die was aangevraagd door de Fractie-Walenkamp. Een motie van de SGP-fractie om extra voorlichting aan de Raad van State te vragen, is verworpen.
Over het wetsvoorstel
Het wetsvoorstel gaat enerzijds om een verbod op het beroepsmatig of in organisatieverband uitvoeren van de voornoemde handelingen bij een minderjarige dan wel van een meerderjarige in een kwetsbare situatie. Anderzijds gaat het om een verbod op het aanbieden van de voornoemde handelingen. Daarbij maken de initiatiefnemers een onderscheid tussen het rechtstreeks aanbieden en het openlijk aanbieden van de voornoemde handelingen.
Met de leeftijdsgrens en het opsplitsen van het verbod in uitvoeren en aanbieden willen de initiatiefnemers recht doen aan zowel de kwetsbaarheid als de autonomie van de personen die in aanraking komen met conversiehandelingen.

Verworpen motie
- – De motie-Schalk c.s. over aanhouden van de behandeling van het wetsvoorstel tot na een extra voorlichting door de Raad van State. De minister had de motie ontraden.
Debat 2 juni samengevat
De Eerste Kamer debatteerde 2 juni 2026 over het voorstel van de Tweede Kamer met Wieke Paulusma (D66) en Benthe Becker (VVD). Minister van Weel van Justitie en Veiligheid trad op als adviseur van de Kamer. De woordvoerders waren het eens dat conversiehandelingen zoals shocktherapie en medicijnen, met als oogmerk het onderdrukken van de gender- of seksuele identiteit, onaanvaardbaar zijn en nu ook al strafbaar.
De voorstanders van dit wetsvoorstel wezen op de grote schade die alle conversiehandelingen, dus ook andere dan de bovengenoemde, toebrengen aan de mensen die ze ondergaan. Soms leiden deze handelingen zelfs tot (pogingen tot) zelfmoord. Daarom vinden de voorstanders dat het strafbaar stellen nodig is, zelfs als dat betekent dat grondrechten zoals de vrijheid van geloofsovertuiging daarmee onder druk komt te staan.
Omdat bepaalde handelingen al strafbaar zijn, zagen de tegenstanders de noodzaak voor dit wetsvoorstel niet. Voor hen staat deze strafbaarstelling gelijk aan vrijheidsbeperking. Om die reden verzetten zij zich tegen dit voorstel. Bovendien vinden zij begrippen als ‘stelselmatig’ en ‘indringend’ te weinig uitgewerkt in het wetsvoorstel. Ze vroegen daarom of het wetsvoorstel wel uitvoerbaar en handhaafbaar is.